Vrijwilliger Wil met zijn hoofd in de wolken

0211613_Wil_Oosterwegel.jpeg
.

DIEREN – In een paar seconden een snelheid van nul tot honderd kilometer per uur bereiken, dan in een hoek van 45 graden de lucht in en op vierhonderd meter hoogte wordt de lierkabel waaraan het zweefvliegtuig zit losgekoppeld. En dan? Zweven! Wil Oosterwegel uit Dieren en zijn clubgenoten van de Gelderse Zweefvliegclub weten er alles van. Wil is één van de honderd vrijwilligers die in dit Nationaal Jaar Vrijwillige Inzet 2021 in de kijker worden gezet.

“Koffie?” Zo start de dag van Wil Oosterwegel op het vliegveld meestal. “Eerst even gezellig samen aan tafel en dan in actie komen.” Afhankelijk van de dag is dat voor hem vliegen, aan de slag op de baan of onderhoud plegen in de hangar. Elke vliegdag wordt gestart met een briefing. De dagverantwoordelijke, een dienstdoende instructeur, heeft van tevoren uitgezocht hoe de wind staat, welke landingsbaan gebruikt gaat worden, wat de weersverwachting is en meer zaken die belangrijk zijn voor zweefvliegers. “Iedereen die je hier ziet is lid van de vereniging en eveneens vrijwilliger.” De Gelderse Zweefvliegclub telt rond de 250 leden en is daarmee de grootste van Nederland. De thuisbasis is Terlet, een vliegveld enkel bedoeld voor zweefvliegclubs, midden op de Veluwe.

Thermiek

Voor Wil is zijn vliegliefhebberij pas op latere leeftijd begonnen. “Je ziet hier veel families, waarbij kinderen al vanaf 14 jaar starten. Ze mogen dan al leren vliegen en solo de lucht in. Ik begon pas op mijn 56ste. Het was iets dat ik al langer wilde doen, maar het kwam er niet van. Tot ik op een dag besloot hierheen te gaan en me heb ingeschreven. Meteen voor 35 keer. Ik weet nog dat ik de eerste keer in dat vliegtuig zat, we stuiterend over dat veld omhoog gingen en ik dacht: jeetje, heb ik hiervoor betaald? Maar eenmaal in de lucht was het heerlijk en die hobbels wenden vanzelf.”
De strip is de baan vanwaar men zal starten en landen. Een onverharde weg door het veld slingert langs geparkeerde vliegtuigen en lage heuveltjes. Achter een stukje bos ligt de plek van de club. De vele clubleden die zich op deze dag zullen inzetten zijn er al. Wil wijst in de verte. “Daar, een kilometer verderop, staat de wagen met de lierkabel, die is nu bemand. En hier in de wagen zit degene die communiceert met de lierist en de mensen op het veld.”
Ondertussen is er weer een vliegtuig opgestegen en na enkele minuten geland. Een jonge gast, net 15 jaar, stapt in een klein, geel karretje en rijdt naar de plek van de landing. Hij koppelt het zweefvliegtuig achter de kar om het terug naar de startplek te brengen. “En, kon je thermiek vinden?”, vraagt iemand aan de zweefvlieger. Kennelijk is er niet veel stijgende warme lucht vandaag, maar genoeg voor korte vluchten. Gelukkig voor de mensen die vandaag examenvluchten maken: ze kunnen laten zien wat ze moeten doen als de lierkabel breekt of het vliegtuig in moeilijkheden komt.

Op elkaar afgestemd

Toen Wil vijf jaar geleden stopte met werken, begon net het nieuwe vliegseizoen weer. “Dat was in de lente, ik ging vliegend mijn pensioen in, heerlijk was dat.” Sindsdien is Wil nog veel vaker op Terlet te vinden. “Elke maandag ben ik veldleider. Ik zorg dan voor de briefing en ben verantwoordelijk voor het geregel op het veld. Daarnaast zorg ik voor de opmaak van het clubblad en in de winter kom ik, net als alle andere leden, een aantal dagen voor onderhoud aan de vliegtuigen en wagens. Dat is niet het technische onderhoud, want dat gebeurt alleen door leden die ervoor opgeleid zijn, maar meer zaken als schoonmaken en opruimen.”
De sfeer op het veld is goed. Ondanks een aardige windje en bewolking kan er vandaag toch gevlogen worden en alles loopt op rolletjes. Dat de clubleden op elkaar afgestemd zijn, is duidelijk. “Het is een heel prettige vrijetijdsbesteding en leuk om samen actief te zijn. De club heeft een grote verscheidenheid aan mensen. Er zijn beroepspiloten bij, maar ook mensen die hele andere dingen doen. Zonder ieders inzet zou er überhaupt niet gevlogen kunnen worden.”

Op naar de wolken

Intussen is er nog een kar gearriveerd waar de onderdelen voor een zweefvliegtuig uitgehaald worden. “Eerst moet het opgebouwd worden. Meestal doe je dat met vier man. Daarna is er iemand die de laatste check doet en kijkt of alles correct gebeurd is. Veiligheid is hier heel belangrijk en iedereen is alert. Niet alleen op zichzelf, maar ook op elkaar.”
“Wil, je kunt!” De veldleider wijst naar een ander modern wit vliegtuigje. Wil is aan de beurt. Hij en zijn medepassagier nemen plaats in de tweezitter. Wil wijst naar de wolken. “In principe vormen de wolken de hoogtegrens, dus als er zoals nu een laag wolkendek is, vlieg je niet hoger dan vierhonderd meter. Bij heldere lucht is het anders, zeker als het warm weer is en er veel thermiek is. Je kunt dan zo tot 2400 meter hoogte komen. Mijn langste vlucht heeft op zo’n gunstige dag meer dan zeven uur geduurd.”
De gordels gaan om, de laatste checks worden gedaan en de koepel wordt gesloten. Een clubgenoot houdt een van de vleugels vast, één arm in de lucht. Ze kijkt naar de lampen van de verkeersleider. En dan, de arm gaat vlot naar beneden, de lierkabel trekt zich steeds strakker tot het vliegtuig niks anders meer kan dan de lucht in, met 100 kilometer per uur op naar de wolken!

Tekst en foto: Annemieke Dubbeldeman